De profeet Amos


Twaalf kleine profeten

Het derde boek uit de reeks van twaalf kleine profeten. Amos was een veeboer en moerbeivijgenkweker uit het zuidelijke rijk Judea die door God naar het noordelijke rijk Israël werd gestuurd om er te profeteren. Hij was actief in de achtste eeuw v.C., ten tijde van koning Jerobeam II. Amos voorspelde de ondergang van het rijk, hetgeen in 722 gebeurde. Wellicht waren de profetiën van Amos toen al op schrift gesteld. Het huidige boek is waarschijnlijk totstandgekomen na de Babylonische ballingschap, na veel bewerkingen.

Het boek bestaat vooral uit orakels en visioenen (hfdst. 7 t/m 9), waarin Amos sociaal onrecht en decadentie hekelt. Een afwijkende, verhalende passage is te vinden in hoofdstuk 7. De hogepriester Amasja (Amazia in de Statenvertaling) zet koning Jerobeam op tegen Amos, en roept de laatste op het land te verlaten. Opmerkelijk is dat Amasja de profeet wel aanspreekt met 'ziener'.

Belangrijk thema in het boek is dat het verbond van God met de Israëlieten geen vrijbrief was voor immoreel gedrag. Amos roept zijn toehoorders op hun leven te beteren.