De profeet Hosea


Twaalf kleine profeten

Het boek Hosea is het eerste van de kleine profeten: een reeks profetische geschriften die korter zijn dan boeken als Nehemia en Ezechiël. Voorzover bekend is de huidige indeling van de kleine profeten in de vierde en derde eeuw v.C. totstandgekomen. In het Hebreeuws worden de kleine profeten aangeduid met Shneim-'Asar (twaalf).

De profeet Hosea was actief tussen ca. 750 en 722 v.C., in het rijk Israël. Israël was destijds het noordelijke deel van het bijbelse land; het werd in 722 veroverd door de Assyriërs (zie tijdlijn).

De eerste drie hoofdstukken beschrijven het huwelijk van Hosea met de prostituee (of ontrouwe vrouw) Gomer. Het kan gezien worden als een allegorie van het verbond van God met de Israëlieten: toen dat gesloten werd, waren de trouweloze joden druk bezig met het aanbidden van een gouden kalf. Hosea gaf zijn kinderen op last van God namen met een duidelijke symboliek: zoon Jizreël, naar de vallei waar heel wat bloed was gevloeid; dochter Lo-Ruchama, "zonder erbarmen", een hint om het verbond niet te verbreken; en zoon Lo-Ammi, "niet mijn volk" of "niet de mijne".

In de overige hoofdstukken wordt de allegorie uitgewerkt. Hosea legt in hoofdstuk 4 t/m 10 uit wat er allemaal mis is in het noordelijke rijk, en waarom God zijn handen af zal trekken van het joodse volk. In de laatste hoofdstukken wordt de val van Israël voorspeld en wordt het volk opgeroepen zich te bekeren, opdat alles weer goedkomt: "Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon" (14:6).